We kennen het bijna allemaal wel. Je hebt je plechtig voorgenomen om voortaan planmatiger te werken, minder snel te oordelen of vaker grenzen aan te geven. Zolang de werkweek rustig verloopt, gaat dat prima. Je hebt de touwtjes stevig in handen. Maar zodra de mailbox overstroomt, de deadlines zich opstapelen en de stress toeslaat, gebeurt het: voor je het weet verval je precies in die automatische patronen die je zo hard probeerde te doorbreken.
Om te begrijpen hoe dit werkt, moeten we kijken naar de twee krachten die ons dagelijkse gedrag sturen: iemands natuurlijke voorkeursgedrag en iemands aangeleerde gedrag.
Voorkeursgedrag is de manier waarop je van nature het liefst en het gemakkelijkst reageert. Het is je biologische blauwdruk. Dit gedrag stroomt rechtstreeks voort uit je diepste innerlijke behoeften, je karakter en je ingebakken talenten - kortom: wie je bent als je er niet bewust bij nadenkt.
Dit gedrag heeft twee specifieke kenmerken:
Voorbeeld: Iemand die van nature een lage behoefte heeft aan strakke kaders, heeft als natuurlijk voorkeursgedrag dat hij creatief, flexibel en improviserend te werk gaat. Chaos is voor deze persoon geen vijand, maar een creatieve speeltuin.
Mensen zijn enorm flexibel. Als jouw werkomgeving - zoals je functie, een project of je manager - gedrag van je vraagt dat niet direct in je natuurlijke blauwdruk zit, kan je dat meestal goed compenseren. Via bijvoorbeeld discipline, training, checklists en reminders leer je vaardigheden aan om toch te voldoen aan de verwachtingen. Je bent op dat moment op de werkvloer heel effectief, maar je bent niet vanuit je natuurlijke flow aan het handelen.
Dit aangeleerde gedrag kun je vergelijken met een elastiek. Je rekt jezelf en je gedrag dagelijks uit om aan de functie-eisen te voldoen. Dat gaat in de praktijk prima zolang je mentale batterij vol is, maar het heeft één groot nadeel: het vreet op de achtergrond bakken vol energie.
Voorbeeld: Neem Sarah. Sarah is een ontzettend succesvolle accountmanager. Van nature is zij uiterst sturend, zakelijk en feitelijk ingesteld (ze neemt graag de leiding, focust op targets en reageert puur op harde cijfers in plaats van op emoties). Haar natuurlijke voorkeursgedrag is om autonoom resultaten te jagen, snel knopen door te hakken en functioneel te communiceren.
Wanneer Sarah wordt gepromoveerd tot teamleider, vraagt haar nieuwe rol om een compleet tegenovergestelde aanpak: ze moet haar teamleden intensief, empathisch en geduldig coachen. Omdat Sarah wil slagen, past ze zich aan. Ze dwingt zichzelf met pure discipline om actief te luisteren, stiltes te laten vallen en haar medewerkers zélf naar oplossingen te laten zoeken. Haar gedrag is op dat moment heel effectief, maar het kost haar aan het einde van de dag bakken met energie omdat ze constant tegen haar natuurlijke blauwdruk in moet gaan.
Het lijkt een paradox: als ons brein altijd de weg van de minste weerstand zoekt, hoe kan aangeleerd gedrag dan standhouden tijdens een normale en/of rustige werkweek?
Het antwoord ligt in de energiestand van onze hersenen. Het bewust aanpassen van je gedrag - zoals Sarah die zichzelf dwingt om afwachtend te coachen in plaats van direct de sturende leiding te nemen - is een actie die wordt aangestuurd door het logische, bewuste deel van ons brein. Dit kost veel energie en discipline.
In een comfortabele situatie - wanneer de werkomgeving bijvoorbeeld rustig is - is je mentale batterij volledig opgeladen. Je bewuste denkkracht heeft voldoende brandstof. Omdat je gemotiveerd bent om je doelen te behalen en je job goed te doen, is je brein prima in staat én bereid om die extra energie te investeren. Je hebt de mentale ruimte en veerkracht om jezelf constant te corrigeren. Je houdt het elastiek gecontroleerd uitgerekt.
Het belangrijkste verschil tussen wie je bent (voorkeursgedrag) en wat je hebt aangeleerd (functioneel gedrag) wordt pijnlijk zichtbaar zodra de werkdruk stijgt.
De grootste fout die organisaties en managers maken, is dat zij getoond gedrag aan de buitenkant verwarren met iemands natuurlijke talent. Ze denken dat een medewerker die strak plant, dat ook moeiteloos doet. Wanneer diegene onder druk of na verloop van tijd plotseling terugvalt in improvisatie, reageert de manager vaak gefrustreerd met onbegrip: "Je liet de afgelopen tijd toch zien dat je dit wél kon? Waarom laat je het nu plotseling hangen?"
Echt duurzaam presteren draait dan ook om alignment: het zo vormgeven van rollen en functies dat het vereiste gedrag op de werkvloer zo dicht mogelijk bij het natuurlijke voorkeursgedrag van de medewerker ligt. Want wie mag werken vanuit zijn ingebakken kracht - zijn eigen voorkeursgedrag (talenten) - hoeft zijn elastiek niet constant geforceerd uit te rekken. Die medewerker verbruikt geen onnodige energie, veert onder druk niet terug, maar blinkt juist uit.
Bij welke taken merk jij dat je jouw eigen elastiek dagelijks moet uitrekken, en wanneer springt jouw automatische piloot aan?